Dagboek van een huidenkoper
VKBlog Headerimage

Koppen in een houten vat

dinsdag 27 december 2005 12:40 door Huidenkoper

Koppen in een houten vat

Het ontbreekt me aan inspiratie om mijn huidenvertelsels te openen of sluiten met een persoonlijk stukje actualiteit. Er zijn echter al genoeg andere bloggers die hun mening spuien over van alles en nog wat. Daarom als vervolg op mijn verhaal van gisteren kaart ik maar eens aan hoe wij vroeger (ouwe lul zouden mijn kinderen zeggen) huiden en vellen verstuurden. In de zestiger jaren werd alles met de hand gelost en geladen. 25 ton vellen of huiden met de hand in een vrachtwagen voor Italië laden, of zoals in een eerder blog verteld, op het lokale station weer uit de vrachtwagen in een treinwagon.
Met een man of zes in drie tot vier uur tijd z´on vier ton per man door je handen laten gaan. Dan kwam aansluitend de firma Kloek met 30 ton zout in zakken van 50 kilo die weer met de hand gelost moesten worden. Elke twee weken ging er z´on vracht mijnzout in de verse huiden en vellen die van de slachthuizen binnen kwamen.
Op een gegeven moment begonnen Indiase looierijen halzen (nekstukken) en flanken (zijstukken) van huiden te kopen. Deze werden verladen in grote houten vaten. Er kwam dus een complete kuiperij op gang in ons pakhuis. Losse duigen, hoepels en een of twee man die er vaten van maakten. De volle vaten wogen z´on 500 kilo en werden los in schepen naar het toenmalige Calcutta verladen. De dure kalfsvellen werden per stuk verpakt in bundels en waren bij ons gemerkt met blauwe plastic labels met het opschrift CMS 1 of 2.
Vooral de Italianen begonnen deze dure mestkalfsvellen te verwerken tot hoogwaardig leer. Op een gegeven moment vertrok er elke week wel een vrachtwagen met daarin 2.000 los geladen bundels kalfsvellen. Een Italiaan eigen begon er een te klagen dat er altijd 10 tot 20 bundels te kort waren. Wij gingen er van uit dat dat flauwekul was.
Totdat er een keer een vrachtwagentje de poort in kwam rijden met een scharrelaar uit het Heike (St. Willebrord). Hij zei tegen mijn vader: ¨Hé Leentje ik heb nog wat handel voor je.¨ Vol trots liet hij zijn vrachtje zien en jawel zeker 50 bundels kalfsvellen met ons eigen merk er nog aan. Ze bleken dus door steeds dezelfde chauffeur van de wagen gegooid te worden s´avonds voordat hij naar Italië vertrok. De opkoper was natuurlijk niet al te snugger dat hij onze eigen vellen aan de Koekoeksedijk aan kwam bieden.
Verder werden de heerlijke stinkvellen niet veel gestolen omdat er natuurlijk maar een kleine markt voor was en iedereen een eventuele diefstal snel aan elkaar doormeldde.
Rond 1965 deed de elektrische transportband zijn intrede waardoor de mensen niet meer zo hoefden te tillen en de bundels gewoon met de band omhoog liepen. Sommige van onze mensen weigerden in eerste instantie met het apparaat te werken want ze vonden het maar een eng gedoe, al die elektriek. Toen ze er achter kwamen dat het nogal wat zweetdruppeltjes scheelde maakte al gauw iedereen er gebruik van.
De huidenhandel groeide gestaag omdat ¨ons¨ vader vrij aktief was in het werven van nieuwe leveranciers. Ook werden er steeds meer huiden uit België aangekocht. Een Belgische huidenhandelaar vond het allang best dat hij zijn huiden zonder veel moeite aan die Ollanders kon slijten. Mijn vader zei altijd op zijn vlaams: ¨Nun Belg heb mar un paor huiden nodig om nun schonen voiture te rije, un schon kot te wone, zun vrouw tevree te houwe en ok zun vriendin en dan nog un goei pintje te pakke¨. Het voordeel van ons Brabanders was dat wij over het algemeen een betere ingang hadden bij de Zuiderburen dan onze Hollandse concurrenten. De grossiers in Nederland groeiden ook gestaag naarmate de vleesconsumptie toenam. En meer vlees betekende meer huiden. Er was eigenlijk nog geen harde concurrentie in de inkoop en de mentaliteit was : leven en laten leven.
Over concurrentie in de volgende afleveringen meer.

Audoe
Kees


Een burgemeester in de fout of een foute burgemeester

Even geen verhalen over huiden of vellen. De titel zegt het al, ik wil het over een burgemeester hebben. Niet over de burgemeester van Meppel waarover Martin Bril vandaag in zijn column schreef. Nee, over de burgemeester van Dongen, pardon, de ex-burgemeester van Dongen.
De kop boven dit blog is uiteraard bedoeld om lezers te lokken. Van Brummen was zeker geen foute burgemeester, hij werkte hard, had goede communicatieve vaardigheden en had duidelijke ideeën over de ontwikkelingen voor de gemeente Dongen. Ik complimenteer zijn inzet en werklust. Waar ik problemen mee heb en waar hij mee in de fout ging is het feit dat hij in een uitgebreid krantenartikel in BN/De Stem aangaf niet te snappen wat de Dongenaren te maken zouden hebben met zijn privé-leven. Hij is in de veronderstelling dat wij geen enkel recht hebben zijn functioneren in verband te brengen met zijn voortijdig ontbonden huwelijk. Een tweede huwelijk waarin de bruid 30 jaar jonger was, maar dit terzijde voor de niet-Dongenaren.
Beste van Brummen, zoals ze in een goede western opmerken: ¨Dat had je nou niet moeten zeggen (of doen)¨. Mijn mening is dat je nou eindelijk eens de verantwoording op je moet nemen voor je eigen gedrag. Ik zal me nader verklaren uiteraard. Het zal mij worst wezen of een burgemeester hetero, homo, lesbisch is of bijvoorbeeld een intieme relatie heeft met zijn groene grasparkiet, ook al trouw je met je oma. Vrijheid is blijheid.
Wanneer echter iemand zijn privé-leven in zijn functie als openbaar ambtenaar bij elke gelegenheid nadrukkelijk naar voren brengt dan vraag je erom hierop afgerekend te worden.
Ik herinner me nog een uitzending van Omroep Brabant van anderhalf jaar geleden tijdens welke aan de burgemeester van een middelgrote Brabantse gemeente wordt gevraagd:¨En zijn er nog belangrijke ontwikkelingen te verwachten voor Dongen in 2004.?¨ Wat schetst mijn verbazing als ik dan een 58-jarige dignitaris de handen tussen de benen zie klemmen, en voorovergebogen de kreet hoor slaken:¨Jaaaah, ik ga trouwen¨.
Ik kan dan vervolgens in de aanloop naar het huwelijk geen lokaal flutkrantje open slaan zonder daarin geconfronteerd te worden met alle ins en outs van het aanstaande huwelijk van de heer van Brummen (inmiddels 59) met zijn 29-jarige grote liefde. Verder wordt er in Dongen een als grappig bedoelde cadeau-lijst verspreidt waarin met een puberaal gevoel voor humor gevraagd wordt om een 3000-delig servies of 100 peper- en zoutvaatjes.
Het huwelijk voltrekt zich in samenzijn met het gehele ambtenarenkorps, de brandweer treedt aan en hoewel de kosten zonder meer gedragen zullen zijn door het bruidspaar is de ceremonie onbetwistbaar een openbare Dongense aangelegenheid.
Dan blijkt dat er allerlei strubbelingen zijn in het huwelijk van nog geen jaar oud en geven bepaalde gedragingen voedingsbodem aan de gebruikelijke vileine, niet altijd op waarheid berustende, dorpsroddels. Plotseling schrijft dan de heer van Brummen samen met zijn aanstaande ex-vrouw een artikeltje dat ze geen behoefte hebben aan dorpsroddel en laster.
Wat het hele dorp verwachtte en uiteraard besprak gebeurde: de vlam doofde en de vlam verdween. Alleszins menselijk en iets wat kan gebeuren.
Door je eigen pad der liefde echter als openbare wandelweg ter beschikking te stellen van de goegemeente moet je inspraak in de wandelrichting voor lief nemen. De druk die dan uitgeoefend wordt vanuit het roddelcircuit, het eigen twijfelen en het feit dat vaak alles wat boven het maaiveld uitsteekt in Nederland het hoofd wordt afgehakt leidt dan inderdaad tot een juiste conclusie: opstappen (met vertrekregeling).
Ik sluit af met je verder in het leven alle geluk toe te wensen en een goede gezondheid.
Een uitnodiging voor een eventuele verloving of huwelijk zie ik eventueel graag tegemoet. De vriendelijke groeten van een eerlijke Dongenaar (omdat ik mijn naam onder dit
stuk schrijf).

Audoe
Kees Martens

Voor de huiden- en vellen liefhebbers: keep reading.


De stuipen van de groei

Firma C. Martens en Zonen was de naam van de huidenhandel aan de Koekoeksedijk 11, genoemd naar opa Martens (Cornelis) ofwel opa Kees. Naar goed Brabants en katholiek gebruik werd mijn oom ook Kees genoemd. Ik werd de kleine Kees, en de zoon van mijn ome Kees werd Keesje genoemd. Het was me een geKees daar in Brabant. In de jaren zestig werd de zaak geheel door ¨ons¨ vader overgenomen en werd het in principe een eenmanszaak. Zoals in een eerdere aflevering geschetst groeide het aantal grossiers in Nederland gestaag, de vleesconsumptie nam toe en aan huiden en vellen geen gebrek.
Aan de Koekoeksedijk groeiden we uit ons vestje. Het pand was soms niet meer te zien door de bergen met huiden die er onder dekzeilen lagen te wachten op verlading. Er was in die tijd nog geen milieuvergunning, geen ARBO-dienst, geen mierenneukende gemeenteambtenaren.
De pekel, een mengsel van water, bloed en zout, stroomde vrij de Rode Vaart in. Het oude zout uit de huiden werd met kruiwagens vol over een glijbaan van golfplaten in de haven gekieperd. Het zout zorgde ervoor dat er zelfs haring rondzwom, gezouten en wel.
Uiteraard absoluut niet goed te praten en een goede zaak dat in de jaren erna het milieubewustzijn toenam. De grootste sport was het met de luchtbuks schieten op grote ratten die op de geur van de huiden afkwamen. Ook alle rioleringen van de huizen langs de haven loosden rechtstreeks in datzelfde water waarin wij zomers nog wel eens zwommen. De suikerfabriek, ofwel in de volksmond ¨kooperetief¨ genoemd droeg in de bietencampagne ook zijn steentje bij aan de verontreiniging.
Het was al met al prettig wonen daar aan de dijk, misschien wel de reden waarom ik z´on grote fan ben geworden van de enige echte Dijk. Inmiddels had vader Leen er voor gezorgd dat er elke dag vrachtwagens reden naar de slachthuizen in Rotterdam, Den Bosch, Breda, Waalwijk en Den Haag. Tevens reed een kleine vrachtwagen de zogenaamde ¨route¨ langs alle kleine slagers die zelf nog slachtten van Zaltbommel tot Hulst en St. Jansteen.
Elke dag waren er wel ontvangers die hun huiden na kwamen kijken, of waren er wel wagons om geladen te worden. In eerste instantie verkocht mijn vader zijn huiden via Transmarinde, Hollander of Kaufmann. Later werd er rechtstreeks geëxporteerd naar klanten in het buitenland. Iets wat de grote broers natuurlijk niet graag zagen gebeuren.
De verkoop aan het centrale importkantoor van Tsjecho-Slowakije, Exico, werd altijd door een van de handelsvrienden afgeraden met het argument: ¨Joh, ze betalen pas na 90 dagen. Dat kan je helemaal niet aan.¨ Groot was de verbazing toen bleek dat Exico onmiddellijk bij levering betaalde en de heer Youranek zeer verontwaardigd was toen mijn vader hem vertelde dat hij niet rechtstreeks kon leveren door de trage betaling.
Toen ¨ons vader ¨ de stoute schoenen aantrok en rond 1968 helemaal naar Japan reisde om daar looiers te bezoeken die Hollandse kalfsvellen wilde kopen groeide de zaak flink door. Gelukkig speelde alles zich af rondom ons woonhuis en hoewel mijn vader altijd op pad was en zich uit de naad werkte speelde het ¨wie is de man die op zondag ons vlees snijdt¨ in het geheel niet.
In de begindagen werd de administratie gedaan door een lieftallige jongedame die ook later mijn tante is geworden. Ze werkte op het slaapkamertje van mijn nog in de bloemkool zittende zusje. Naast het huis stond een uit de oorlog stammende houten noodwoning bewoond door buurvrouw en buurman Kok. Toen deze later verhuisden werd dit gebouwtje in gebruik genomen als kantoor. Eerst was er versterking gekomen bestaande uit een boekhouder/administrateur die de gehele papieren rompslomp en bankzaken voor zijn rekening nam. Mijn vader had niet de opleiding gehad hiervoor en vertrouwde volledig op de mensen die deze zaken voor hun rekening namen. Alles wat voor hem telde was de handel en die breidde zich steeds verder uit.
Midden jaren zestig werd een grote boerenschuur in Standaardbuiten gehuurd om de steeds groter worden partijen huiden kwijt te raken. Toen huidenhandel Couwenbergh in Oudenbosch stopte werden ook die panden gehuurd en was de zaak verdeeld over drie verschillende lokaties in drie verschillende dorpen. Het aantal werknemers was ook gestegen tot z´on dertigtal mensen. Vaak vaders en hun zonen die tot in de jaren tachtig bij de firma gebleven zijn of elkaar aflostten.
Op kantoor was de staf inmiddels uitgegroeid tot twee vakbekwame mensen die de toenemende stroom documenten en bancaire accreditieven de baas moesten zien te worden. België was toen nog echt buitenland en elke vrachtwagen die de grens bij Essen/Nispen passeerde werd afgehandeld door een echte douane-agent en moest er een vracht papieren met elke wagen mee.
Eind jaren zestig draaide de zaak gewoon goed, er werd geld verdiend en ¨ons vader¨ besloot te investeren in de bouw van een groot pand waarin alle activiteiten werden geconcentreerd. In 1968 werd dan ook aan de Industrieweg in Zevenbergen een 3.000 m2 groot pand betrokken. De opening ervan werd uitgesmeerd over twee zaterdagen met een rondvaart door de Biesbosch, een koud buffet en een flinke borrel. Alle inspanning en al het harde werken leek op dat moment beloond te worden. Met helemaal niets begonnen, mede door de oorlog een rotjeugd gehad, drie jaar in de Oost gevaren bij de Marine en met een bakfiets konijnenvellen ophalend op de veemarkt zijn bedrijf opgestart. De opening van het pakhuis, zijn droompakhuis met volop handel erin was de bevestiging voor mijn vader dat je, wanneer je maar wilde, je idealen waar kon maken.
Voor de jongens in het magazijn betekende het minder zwaar werk omdat er een heftruck rond reed, het lossen en laden van wagens met de hand was voorbij. Wel moest er afscheid genomen worden van het gezellige, kleinschalige werken aan de Koekoek. De familiaire sfeer van die beginfase zou ook niet meer terugkomen, wat een ontwikkeling was die zich in het hele midden- en kleinbedrijf aftekende in die tijd.
Ook zou ons gezin het jaar daarop een mooi nieuw huis betrekken, gebouwd onder eigen architectuur in het Wilhelminapark. Ons gezin dat inmiddels bestond uit ondergetekende (kleine Kees), broer Walter, zusje Dian en natuurlijk ¨ons¨ moeder. Loon naar werken leek het met uiteraard alle voor en nadelen van het hebben van een eigen zaak. Duizenden andere familiebedrijven hebben deze ontwikkeling doorgemaakt.

Om je blog te doen lezen is het zinvol pakkende titels te verzinnen ( zie ¨een foute burgemeester of een burgemeester in de fout¨). Met de volgende titel die ik misschien dit weekend uit ga werken zal ik misschien ook wel scoren: ¨De dag dat ik mijn vader zag huilen¨.

Als dat geen tearjerker is dan weet ik het niet. Maar het leidt alvast in dat er ook minder prettige tijden aanbraken voor ons gezin.

Geen persoonlijk stukje over actualiteiten deze keer.
Audoe
Kees



De dag dat mijn vader huilde

Als jongeling van 16 jaar ben je vaak met heel andere dingen bezig dan met de zaak van je vader. Natuurlijk had je te kennen gegeven wel de handel in te willen en daar je opleiding op af te stemmen. Maar ja, meisjes en een aantal sociëteiten in het dorp eisten ook je aandacht op.
Je wist dat een eigen zaak hard werken was, ¨ons vader¨ was altijd op pad en wanneer hij thuis was ging of de telefoon of stond hij samen met mijn oom en de rest van de mannen aan huiden te sjorren. Hij vertelde ook wel eens, min of meer trots, dat hij huiden stond te kopen van Goovaerts toen mijn moeder in de aangrenzende kamer aan het bevallen was van mijn zus. Wel sneed hij meestal het vlees op zondag en wisten we ook nog wie hij was.
Door het wispelturige van de huidenprijzen, dan weer omhoog dan weer omlaag, was je nooit zeker van het bedrijfsresultaat. Doordat ons vader een ondernemer was in hart en nieren en zijn werkterrein steeds weer uitbreidde groeide de zaak gestaag. Aan Nederlandse looiers werd op krediet geleverd, dezen draaiden al zolang dat er nooit twijfel was aan hun voortbestaan. Wanneer hij in de eerste jaren een vrachtwagentje met kroupons naar Rijen bracht en ze hem op zijn klompen in de wachtkamer een uurtje lieten wachten was wel het laatste wat in hem opkwam om onmiddelijke betaling te vragen aan de heren looiers.
Blij was hij dat hij aan de Nederlander, de Gebroeders Theeuwes, de Molen, Koninklijke Leder etc mocht leveren. Inmiddels werd de administratieve kant van de zaak gedragen door twee vakkundige medewerkers, die ook een klein deel van de dagelijkse handel voor hun rekening namen.
Het nieuwe pand werd betrokken en de resultaten waren eind jaren zestig goed te noemen. En zoals al eerder aangegeven werden nu ook huiden gekocht op de maandelijkse veiling in Essen, Wiesbaden en Brussel. De internationale kontakten groeiden en de stroom papieren groeide mee. Wat niet geheel tot mijn vader doordrong was het feit dat mensen bepaalde opvattingen hebben hoe hun inspanningen beloond dienen te worden. De kantoorstaf meende toch ook wel wat meer te mogen delen in de revenuen van het geheel.
Omdat ¨ons ¨ vader pas een aantal jaren de zaak volledig had overgenomen van zijn familie wist men wel dat het voorlopig een eenmanszaak zou blijven.
Het is natuurlijk ieders goed recht om aanspraak te maken op participatie maar er werd gekozen voor een soort overvaltechniek. Management buy-out was een begrip wat toen nog niet bekend was. Mijn vader was echter niet geheel op zijn achterhoofd gevallen. Er vielen wel eens ongemakkelijke stiltes wanneer hij het kantoor binnen kwam en de sfeer in het nieuwe pand was zeker niet meer zoals vroeger.
Op een gegeven moment stelde hij vast dat er s´avonds nogal eens druk werd vergaderd op een van de privé-adressen (een dorp blijft een dorp). Tot zijn schrik merkte hij dat ook de voorman van het magazijn blijkbaar bij allerlei overleg was betrokken.
Er ontstond een ongemakkelijke sfeer die zich zowel thuis als op de zaak uitte en wij als kinderen werden al vroeg geconfronteerd met de spanning inherent aan eigen bedrijf.
De bom barstte op een ochtend toen mijn vader bij het binnenkomen van het kantoor geconfronteerd werd met zijn twee adjunct-directeuren en zijn voorman die hem de keuze lieten: of ze zouden alle drie opstappen of er moesten aandelen in het bedrijf komen voor hen.
Hoewel je lang met iemand samenwerkt wil dat nog niet altijd zeggen dat je iemand zijn karakter goed kent. Ik betrap mezelf er ook wel op dat ik wat dat betref sterk op mijn vader lijk. Ook ik heb last van de: ¨dan maar kapot ¨ mentaliteit en een ¨over mijn lijk ¨inslag.
Wetende dat zijn bedrijf op dat moment misschien volledig naar de kloten zou zijn gaf hij de heren te kennen dat ze dan onmiddellijk konden vertrekken. Uiteraard was dat niet helemaal wat werd verwacht en werd er tegengesputterd. De keuze van vertrekmogelijkheid werd toen uitgebreid tot ofwel de deur ofwel het raam.
En dan sta je daar, wetend dat je niet de capaciteiten hebt op administratief gebied om de zaak aan te kunnen. Beseffend dat alles waar je voor gewerkt hebt op die dag instortte en dat je jezelf verschrikkelijk belazerd voelde door mensen die je eigenlijk alle vertrouwen had gegeven.
Later bleek dat de heren een alternatief plan B achter de hand hadden voor het geval het een en ander spaak zou lopen. Ze hadden steun gezocht bij nota bene de Duitse agent van mijn vader die de inkopen voor hem deed op de Duitse veilingen. Deze had huidenhandel Gitmans voor de heren geactiveerd omdat ze hadden aangegeven het klantenbestand over te zullen hevelen wanneer er niet te onderhandelen viel. Mijn vader bleef zelfs na het bekend worden van dat feit nog erg netjes en beleefd tegenover de heer Klosterberg, terwijl ik daar zelf wel eens meer moeite mee had.
Na enige tijd werd dan ook in Standaardbuiten in dezelfde schuur waar ons bedrijf eerder had gezeten onder de naam Gitmans een huidenzaak opgestart.

Voordat het echter zover was heb ik de middag nadat de bom barstte mijn vader van 44 thuis zien komen. Hij ging zitten in hetzelfde rode stoeltje (met skai) dat nu nog bij mijn zus in huis staat en barste kortstondig in snikken uit. Een moment dat ik mijn hele leven toch niet vergeten ben. Mijn oma (van vader´s kant) kon niet echt een positief ingesteld mens genoemd worden maar zelfs haar woorden van dat moment ben ik niet vergeten: ¨Kom op Leen, zorg dat je ze er niet onder krijgen.¨
Ik was er zelf eigenlijk wel van overtuigd dat dat niet zou lukken en al gauw bleek dat mijn vader nogal wat goodwill had gekweekt bij zijn al dan niet grote of kleinere collega´s.
Enerzijds omdat ze niet graag een handelspartner verloren anderzijds door de manier waarop de vertrekkende heren hadden gemeend hun belangen te moeten verdedigen.
Feit is wel dat vooral door Hollander, Amsterdam heel snel gereageerd werd. Hoewel de zakenwereld keihard is kan vriendschap zeker nog een rol spelen. Binnen enkele dagen zat o.a. Harry Pampel als jong manneke de honneurs waar te nemen aan de Industrieweg in Zevenbergen alsof hij nooit anders had gedaan. Het is dezelfde firma Hollander en het zijn dezelfde mensen die mij en mijn broer eind jaren negentig te hulp gekomen zijn toen wij verstrikt raakten met ons bedrijf in allerlei verwikkelingen in Oezbekistan.
Mede door de hulp van allerlei vrienden en zakenrelaties slaagde ¨ons¨ vader erin zijn zaak overeind te houden. Doorzettingsvermogen en vechtlust zijn dan voor elke ondernemer een must en op het voorbeeld van mijn vader heb ik de afgelopen vijfendertig jaar geteerd.
Blij was ik echter toen mijn zoon en dochter beiden te kennen gaven een echt ¨vak¨ te willen leren. Bij pa in de zaak was nou niet echt iets wat ze aansprak en wanneer U mijn volgende blogs blijft volgen dan zult U zien dat het een hele juiste beslissing is geweest.

Om lezers te trekken heb ik de titel van dit blog maar wat zwaar aangezet. Ik kan het een en ander goed relativeren. De mensen die toen hun eigen weg gingen heb ik nadien nog redelijk vaak begroet en ik kan niet zeggen dat ik ooit diepe rancune gekoesterd heb. Ook zij zullen hun visie hebben, ik heb het recht op de mijne.

P.S. het valt mij op dat de Volkskrant vandaag weer een goed artikel had over het jagen. Het is ongelooflijk gezien de tendens van veel artikelen die enkele jaren terug regelmatig verschenen. In dit artikel herken ik de manier van jagen die ik zelf voorsta. Er zijn heus nog wel zaken binnen de jacht die mij ook niet bevallen maar daar kom ik nog wel eens op terug.

Audoe
Kees



Effe chillen

Als ik mijn vorige blog teruglees denk ik ….nou, nou dat is niet niks, nu niet zo dramatisch meer Natuurlijk waren en zijn er tal van andere familiebedrijven waar zich drama´s afspelen of afgespeeld hebben. Maar er zijn ook geweldig mooie momenten te beleven. In kleine bedrijfjes werd vaak hard gewerkt niet zozeer met het oog op emolumenten, opties en dertiende maanden maar meer om samen iets moois neer te zetten. Groei was belangrijk en mensen hadden vaak nog hart voor een bedrijf.
Vandaag de dag beginnen managers pas te werken wanneer ze eerst onderhandeld hebben over hun uiteindelijke maximale vergoedingen. Tevens maken vertrekregelingen al deel uit van de contracten voordat ze bij wijze van spreken hun stoel ook maar een keer aangeraakt hebben. Ze bezigen ook niet meer de naam van het bedrijf, maar spreken over: deze toko, deze tent of het bedrijf. Ze weten dat ze morgen weer ergens anders kunnen werken en wensen niet te hechten aan een naam.
Na het onverwachte vertrek besproken in mijn vorige blog van de staf, de hulp van collega´s en het verstrijken van de eerste chaotische weken heeft ¨ons vader¨ stevig nagedacht over zijn toekomst. Ook toen al had hij zijn zaak misschien over kunnen doen, aansluiting kunnen zoeken bij Hollander of iemand anders. Toch overheerste de gedachte hetgeen hij opgebouwd had en waaruit hij voldoening putte nog een tijd alleen door te zetten. Achteraf gezien was het misschien beter geweest een andere weg te kiezen. Maar niets is gemakkelijker dan terug te kijken en te zeggen: Had ik maar ……… ¨.
Om onze huidenzaak zelfstandig voort te zetten besloot hij iemand aan te trekken die werkzaam was bij de firma Transmarinde. Dit bedrijf was een van de afnemers die de huiden en vellen weer doorstootten naar het buitenland. Ze hadden zelf geen verse productie anders dan via een klein filiaal in het noorden. Transmarinde was opgestart door de familie Wagschal na de oorlog en was uitgegroeid tot een vrij grote handelsonderneming in Rotterdam.
Hille Visser kwam onder protest van de directie van Transmarinde in dienst bij Martens en Zonen B.V., tevens werd Anton Rijnaert aangetrokken voor de boekhouding. De rust keerde weer en vader Leen kon zich weer wijden aan de handel.
Deze groeide nog steeds en mede doordat de Oostbloklanden hun lederindustrie uitbouwden was er vooral vanuit deze landen een grote vraag naar leer en huiden. Nederland had een spilfunctie in het geheel en zeker door het internationale karakter van de oudste firma´s zoals Kaufmann, Hollander en Schröder/Chilewich liepen zeer veel transacties via Nederland.
Honderdduizenden huiden uit zowel Zuid- als Noord-Amerika werden door tussenkomst van de voornoemde firma´s verkocht aan het Oostblok. Ook de kleinere firma´s zoals Argolanda Inhuma, en b.v. Pessers droegen hun steentje bij.
Het voordeel van de centraal geleide landen in het Oosten was dat je maar contact hoefde te zoeken met een kantoor waar de gehele inkoop gedaan werd door een of twee mensen. De Sovjet-Unie bijvoorbeeld kocht via Sojuzpushnina in Moskou alle huiden en leer die zij nodig hadden.
Tijdens de koude oorlog behoorden deze tot de strategische grondstoffen. Er werden dan ook immense voorraden aangelegd verspreid over de gehele Sovjet-Unie. Zo ben ik eens een keer in Azerbaidjan geweest in de jaren zeventig in een magazijn waarin naar schatting z´on miljoen gezouten huiden lagen. Dat deze er kwalitatief niet op vooruit gingen door de langdurige opslag. Nee, volgens het centraal planbureau moesten er zoveel huiden liggen. Dat ze zo rot waren als ik weet niet wat op de lange duur deed er niet toe.
De grote beurs voor iedereen in de branche was de Semaine du Cuir in Parijs, een bijeenkomst van alle looiers en handelaren uit de gehele wereld. Ook schoenfabrikanten konden zich er op de hoogte stellen van de laatste machines.
De Brabantse looiers en schoenenmensen noemden dit ook de Semaine du Zwier en hadden het vaak prima naar hun zin in Parijs. De beurs zagen ze soms maar een een uurtje of drie per dag. Het leek een beetje op de Hoerecava in de RAI, maar ja heel het jaar met je neus in die stinkvellen of tussen de leersnippers, een mens wil ook nog wel eens wat anders nietwaar.
Tijdens zón beurs waarop de meeste handelsfirma´s een eigen stand hadden op de derde verdieping aan Port de Versailles werd door iedereen geloerd waar de Russen waren. Een beurs kon niet geslaagd zijn zonder een paar honderd ton verkocht te hebben aan mr Ivanov of mr Roemiantsev. Overal werd gefluisterd: ¨Waar zijn de Russen, heb je ze gezien. Zitten ze bij Kaufmann, bij Transmarinde of eergens anders.¨ Overal zag je zenuwachtige jonge handelaren die er door hun bazen op uit waren gestuurd om de Russen te traceren.
In een neergaande markt speelden onze Russische vrienden vaak een spelletje door tot op de laatste dag zich verborgen te houden. Laag bieden lukte veel beter wanneer ze pas dinsdagochtend onverwacht verschenen.
Kopen deden ze altijd wel gezien de behoefte aan ruw materiaal, vooral de militaire industrie verbruikte zeer grote hoeveelheden leer voor het militaire schoeisel. Buiten de Russen waren er ook nog de Hongaren met hun firma Bivimpex, de Oost-Duitsers met Interpelz, de Polen met Skorimpex, de Tsjechen met Exico etc etc.
Het gedoe op de beurzen was ofwel sport ofwel kiekeboe terwijl iedereen wist dat men elkaar nodig had. Over de specifieke aspecten van het zakendoen met het oosten vertel ik volgende keer maar weer.

Audoe
Kees



Amadinejad - hou je bek

Ik was lekker op dreef met mijn huiden- en vellenverhaal en had besloten wat minder commentaar te hebben op de actualiteit. Er zijn schrijvers, columnisten en bloggers die dat veel beter kunnen dan ik. Totdat ik vanmorgen de krant opensloeg en daar de uitspraak van hem wiens naam ik niet nog een keer in mijn mond wil nemen zag staan. ¨We moeten Israel van de kaart vegen want de imam heeft dat gezegd¨.
De moed zakt je toch in de schoenen. Ik vond dat er al enkele staatshoofden waren op deze wereld die ongenuanceerde uitspraken deden waaronder de heer Bush. Dit slaat echter alles en mijn stille hoop dat Iran zich langzaam op een pad van verzoening begaf wordt de grond ingeboord. Uiteraard moesten Iraanse imams af en toe dit soort kreten slaken om hun gelovigen te bekoren, maar een staatshoofd is toch weer wat anders. Laten we wel wezen: Israël verdient af en toe ook geen schoonheidsprijs voor hun handelen in de Palestijnse kwestie maar kan moeilijk anders of denkt moeilijk anders te kunnen.
Mr. Bush doet af en toe uitspraken met zijn blik naar de hemel gericht alsof hij de enige vertegenwoordiger is van Gods woord. Maar laat alle regeringsleiders met een beetje gezond verstand (indien voorhanden) gezamenlijk reageren en die dwaas in Teheran duidelijk maken dat er geen enkel land op de nominatie staat om zoals ooit gezegd is in de historie ¨ausradiert¨ te worden.

Ik vond dit het belangrijkste nieuws om me verschrikkelijk kwaad over te maken. Ik heb de suggestie van mijn wederhelft (die de krant nog niet gelezen had) om een erg boos stuk te schrijven over weer de zoveelste nieuwe rij verkeersheuvels aangelegd tussen Rijen en Dongen naast me neer gelegd. Hoewel mijn nier af en toe tussen mijn oren zit, mijn lever op mijn tong hangt en mijn knieën tegen mijn kin slaan gaan we er maar van uit dat de verkeersplannen in onze provincie door weldenkende mensen gemaakt worden.
Enige overeenkomst zie ik trouwens wel tussen het eerste deel van mijn betoog en het tweede deel (waarover ik niet van plan was te schrijven). Weldenkende mensen op het eerste gezicht die tot de meest stompzinnige beslissingen kunnen komen of ontzettend stompzinnige uitspraken kunnen doen. Hoewel: 1.000 verkeersheuvels op je pad zijn nog altijd te prefereren boven een toespraak van M. A. te T. !

Ik plak er trouwens vanavond maar weer een stuk tegenaan over het huidenkoperschap. Dat ontspant tenminste.
Audoe
Kees



Est-ce que vous voulez coucher avec moi, monsieur

Zo, dat luchte op mijn ontboezeming van enige minuten geleden. Dat is een van de mooie aspecten van het bloggen. Je kan je hart zo lekker luchten. Hier komt weer een verhaal c.q. anecdote uit mijn huiden- en vellenleven. Zoals eerder beschreven was eind jaren zestig de onderlinge concurrentie tussen de verschillende huidenfirma´s nog niet zo groot. Er werd steeds meer geslacht en de Belgische en Duitse inzamelaars exporteerden zelf praktisch nog niet naar Italie en Spanje.
Eigenlijk kon iedereen goed de kost verdienen en de bezochte veilingen in België en Duitsland duurden meestal twee gezellige dagen lang.
Overdag werd om het hardst tegen elkaar op geboden om elk lot huiden, of ze nu in Wuppertal, Solingen of Essen lagen of in St. Job in het Goor, Erembodegem of waar dan ook. Tussen de middag werd uitgebreid geluncht en zeker de tweedaagse veiling in Brussel was buiten hard werken ook veel plezier maken. De veiling vond plaats in vrij sjieke hotels zoals het hotel Metropole in Brussel. s´Avonds werd uitgebreid gegeten en vaak kwamen de verschillende handelaren elkaar in dezelfde kroeg weer tegen. Er werd om het hardst gevochten om een rondje te geven en wanneer mijn vader dan vrijdagavond thuis kwam zuchtte hij dat de veiling weer zwaar was geweest.
Tijdens de Semaine du Cuir in Parijs heb ik nog meegemaakt dat de bovenverdieping van restaurant Elsacien Ricqewir bij de boulevard Hausmann geheel was overgenomen door de Hollandse huidenboeren. Broederlijk voerden zij daar de meest verfoeilijke dans uit die ooit door mensen met armen en benen is uitgevonden: de polonaise. Kaufmann, Amsterdamsche Huidenclub, Bralten, Martens, Transmarinde, gebroederlijk deinden zij achter elkaar langs de tafels vol met lege oesterschelpen, lege kreeftenschalen en de talloze lege flessen.
Het was daadwerkelijk: fraternité, égalité et liberté. Er werd gevochten om de rekening te mogen betalen.
Plezier werd er gemaakt en hoewel overdag weer volop achter de Russen, Bulgaren en Italianen werd aangejaagd gunde men elkaar nog wat handel. Mijn vader zwichtte meestal wel wanneer ze aan hem vroegen na het tweede cognacje: ¨Hé Leentje, heb je niet nog een wagentje van die mooie stieren zoals de laatste keer?¨
En hoewel hij wist dat hij de dag erop misschien wel een dubbeltje de kilo meer kon krijgen op de beurs van Italcuoio of Centrotextil deed hij nog maar een wagentje. Een wagentje van 800 Hollandse stieren met een gewicht van 24.000 ton en een waarde van fl.120.000,--.
Maar ach de cognac smaakte goed en zoals de Belgen plachten te zeggen: ¨Ut war nun wrede ambiance, zunne¨.
Wanneer iedereen richting hotel wou gaan werd er nog wel eens een afzakkertje genomen bij een klein café. Historisch is het feit dat wij met een aantal mensen bij ¨Hier spricht man Deutsch¨ de gehele voorraad bier hebben opgedronken, tenminste men dacht dat dit de naam van het café was. Er werd ook nog vaak geprobeerd elkaar een poets te bakken, de welbekende loer te draaien of een oor aan te naaien.
Een zoon van een bevriende familie was net voor de Semaine du Cuir getrouwd en had zijn vrouw zoals gebruikelijk is eeuwige trouw gezworen. Hij was na het diner ook zeer netjes naar zijn hotel gegaan en lag al lang op een oor toen de rest van de meute het hotel opzocht. De verenigde huidenhandelaren hadden op straat een volstrekt toevallige ontmoeting met een heel aardige dame die best wel bereid was aan een grap mee te werken. Het was wel enigszins vreemd vond mijn vader achteraf dat de desbetreffende mevrouw onder haar bontmantel in het geheel niet gekleed was.
Op hun verzoek om een beleefdheidsbezoek te brengen aan kamer 834 op de zevende verdieping had ze welwillend gereageerd maar verzocht wel om een geldelijke vergoeding.
Ze moest haar nooddruftige moeder en haar oma ondersteunen, nietwaar. Iedereen droeg zijn steentje bij en verzochten haar extra lief te zijn voor die eenzame man op zijn hotelkamer. Ze vertelden haar ook dat het misschien wel beter was om te laten zien wat ze in huis had wanneer hij de kamerdeur open deed. Ze moest begrijpen dat de persoon in kwestie nogal verlegen was.

De dame schreed bevallig het typisch Franse hotel in met het opengewerkte trappenhuis dat helemaal doorliep tot de 12e verdieping.
De gehele Hollandse delegatie was in de hal toch maar even gaan luisteren naar de reactie van hun jonge collega die toch zeker aangenaam verrast zou zijn met het late bezoek. Wat zij hoorden was een op zeer lieve toon gestelde vraag: ¨Bonsoir, monsieur, est-ce que vous voulez coucher avec moi ce soir?¨ . Er klonk een zware godslastering door het hotel en de kreet: ¨Je weet zeker niet dat ik netjes getrouwd ben, vuile …………¨.
Vervolgens kwam er een zwarte schaduw naar beneden gezeild door het open trappenhuis en hoewel men dacht dat er menselijk lichaam te pletter zou slaan op de zwart-witte tegelvloer bleek het een lege bontjas te zijn. Terwijl het hele hotel uitgelopen was en men vol belangstelling een glimp op wilde vangen van de oorzaak van alle commotie zag men een niet onknappe geheel naakte jongedame op hoge hakken te trap af komen rennen die haar bontjas oprapend de hal van het hotel uitsnelde.
Het ergste was zeker niet dat voortaan in de lichtstad getwijfeld werd aan het libido van de Nederlandse huidenhandelaar, nee het was veel erger dat ze naar buiten rende onder het slaken van de kreet: ¨Sales Boches¨ ofwel ¨verrekte Duitsers¨. Ach, voor één keer hebben we de Parijzenaars maar in de waan gelaten dat ze het bij het rechte eind hadden.

De volgende keer gaan we weer serieus aan de slag met het normale werk van een huidenhandelaar.
Audoe
Kees





Via del Lavoro - deel I

Je bent 17 jaar oud en hebt al laten merken dat je het huiden- en vellenvak wel ziet zitten. Ik had in 1970 net mijn eindexamen MULO gedaan, was op mijn Puch alle eindexamenfeestjes langsgescheurd en zou in september naar de MEAO gaan in Breda.
Mijn verkering met mijn eerste grote liefde, de dochter van de bakker, was gestrand ruim voor die tijd en een lange vakantie in Zeeland met vrienden leek me wel wat. Totdat mijn vader zei: ¨Zou je niet eens in Italië gaan werken deze zomer, ik ken wel een adresje voor je.¨ ¨Nou, ja, ja pa, hardstikke leuk dat lijkt me wel best wel wat, de wijde wereld in¨. Je bent jong en je wil wat nietwaar. Ik kon meerijden met een vrachtwagen van Reijnaert uit Roosendaal en die zou me in Verona op het goede adres afzetten. Tenminste, dat dacht ik en dat was de planning. Mijn vader gaf me een briefje mee met het adres waar ik terecht zou kunnen. Daar stond op: Ditta Rizzi, Via del Lavoro, Verona. Een telefoonnummer stond er niet bij. En daar ga je dan met een tasje met wat kleren, je stapt in bij Toon de chauffeur en zwaait nog eens stoer naar de ouwe Leen.
Van mijn moeder had ik s´morgens in Zevenbergen al afscheid genomen en pas nu ik zelf een zeevarende zoon heb en een dochter met verre stages die regelmatig de wereld intrekken kan ik me indenken dat mijn ouders er best wel moeite mee hadden. Zoals ma Flodder zou zeggen:¨Ut blijf tog je kind niewaar¨.
In Zevenbergen en omgeving, ja zelfs in Willemstad, voelde ik me een hele vent. Eenmaal onderweg naar Italië slonk dat zelfvertrouwen best wel wat. Bij een tankstation aan de autostrada bij Milaan vertelde Toon me dat zijn bestemming was veranderd. Hij moest niet naar Venetië maar naar Florence. Maar hij had nog wel een Belgische maat die me mee zou nemen naar Verona.
En jawel, daar stond ik dan. Bij de tolpoort op de autostrada bij Verona-Zuid. Dun Sjef had jammer genoeg geen tijd (en geen zin) om met zijn camion de stad in te rijden en zei dat ik maar moest liften vanaf de tolpoort. Ik sprak na mijn MULO best goed Frans en had gedacht daar in Italië best ver mee te komen. Nou, zoals ze tegenwoordig zeggen: echt nie, dus.
Na een uur zielig kijken met een zoekende, enigszins wanhopige blik en het feit dat payer ook enigszins op pagare leek werd ik door een snelle Italiaan in een echte topolino (Fiat 500) naar de Via del Lavoro gebracht. Ik moet zeggen dat ik door signor Franco Rizzi hartelijk onthaald werd. De omgeving kwam me bekend voor, een paar betonnen loodsen met bergen huiden ervoor.
Het enige verschil was de temperatuur, in juli was het op de geasfalteerde binnenplaats z´on
35 tot 40 graden. Meneer Rizzi stelde me volledig op mijn gemak en zei dat zijn secretaresse Laura alles voor me zou regelen en goed voor me zou zorgen. Het feit dat het een bloedmooie meid was zorgde ervoor dat ik weer wat minder op mijn gemak voelde.
Rizzi vertelde me het een en ander over zijn bedrijf en dacht dat ik me op kantoor toch wel nuttig zou kunnen maken die drie maanden. Na enig aarzelen maakte ik hem duidelijk dat ik in het geheel geen nuttig werk zou kunnen doen op kantoor omdat ik geen Italiaans sprak. Ik kon naar mijn bescheiden mening maar beter in het magazijn werken. Ik kon op die manier ook goed Italiaans leren merkte ik op. Signor Rizzi keek me vol verbazing aan en vroeg of ik inderdaad meende in het magazijn te moeten staan de hele dag en ¨whether you want to learn by looking how my people handle hides¨
Nee, nee meneer Rizzi, ik wou gewoon een overall aan en meewerken, laden en lossen en zo. Ik herinner me nog dat hij me vol onbegrip aankeek en dat er in Italië een duidelijk verschil was tussen werklui en witte boorden. Later bleek dat hij twee zoons had die wel ooit in de zaak wilden maar van plan waren eerst nog wat jaren te studeren.
Ze hadden nog nooit een huid aangeraakt en het was me al vrij snel duidelijk dat ze dat ook nooit meer van plan waren te doen.
Ik betrapte signor Rizzi er af en toe wel op dat hij later wel eens goedkeurend toekeek vanuit zijn kantoor met airco wanneer ik met il squadro buiten in de brandende zon met zijn huiden stond te gooien. Vaak deden we dat met bloot bovenlijf omdat het zo heet was, er kropen af en toe alleen wat maaien tussen je borstharen. De huiden die Rizzi verhandelde kwamen overal vandaan, uit de VS, uit Canada maar vooral ook uit Afrika.
De Afrikaanse huiden waren gedroogd en samengebonden in pakken van vijf. Ze waren zo hard als hout en de randen waren uitermate scherp.
Er waren huiden uit Ethiopië, uit Niger, uit Kenia en nog wat landen. Uiteraard werden deze verwerkt tot vrij goedkope leersoorten omdat er nogal wat beschadigingen op zaten. Uit de huiden kropen ook de meest exotische insecten waarmee ik Artis een plezier had kunnen doen.
Veel huiden werden verwerkt in Arzignano, een centrum van de Italiaanse lederindustrie. Er waren daar toen z´on 300 leerlooierijen gevestigd en de rivier die uit de Alpen kwam leek erg veel op de Donge. Alle looierijen loosden er al hun afvalwater op zonder enige zuivering.
Een ander leercentrum was Santa Croce sul Arno dat zoals de naam het al zegt inderdaad aan de rivier de Arno lag en zich in de buurt van Florence bevond, hier waren z´on 400 looierijen gevestigd.
Veel van de huiden die gecrouponeerd werden bij Rizzi (in vierkante rugstukken verdeeld) werden verwerkt in Santa Croce, er werd veelal zoolleer van gemaakt ofwel cuoio. Dat is het mooie van de Italiaanse taal, maak je zoolleer dan ben je onmiddellijk cuoficio.
Dat schoot trouwens lekker op, dat Italiaans van me. Ik kan nog steeds vloeken als een Italiaanse bootwerker want dat leerden ze me uiteraard als eerste. Omdat ik de gehele dag van half acht tot s´middags vijf tussen de mannschaft verkeerde moest ik uiteraard redelijk snel de taal leren. Vieze woorden maakten daar natuurlijk ook deel van uit. Omdat de meeste huidenwerkers uit Sicilië kwamen blijk ik dus ook Italiaans te speken met een zuidelijk accent. Heel trots was ik ook op mijn eerste Italiaanse liedje dat ze me geleerd hadden, de tekst was me enigszins duister maar het ging over een ¨bandiera rossa¨ en een ¨revoluzion chi triomfera¨.
Wanneer ik me luid zingend op mijn scootertje voortbewoog door Verona vond ik het vreemd dat sommige politieagenten me af toe nauwlettend in de gaten hielden. Ach, toen ik later de tekst begreep besloot ik het Italiaanse communistenlied toch maar op mijn repertoire te houden. Ik maar er maar een deel een en een deel twee van want mijn eerste verblijf in Italië was best wel indrukwekkend voor een 17-jarige. Dus bij deze: arriverderci, a domani.

Kees



Via del lavoro deel II

Wanneer je als 17-jarige zielsalleen in een klein kamertje logeert in een chauffeurscafé langs de druktste invalsweg in Verona wil je graag s´avonds de deur uit. Nou is Verona een vrij grote stad en zou ik te voet niet ver gekomen zijn. Gelukkig was signor Rizzi zo gecharmeerd van mijn vrijwillige geploeter in zijn huiden en vellen dat hij de tweede week met een heuse Vespa Ciao op de proppen kwam. Hoewel het ding niet harder reed dan een kilometer of zestig was ik er zielsgelukkig mee. Het eerste wat ik deed was na het werk een café te zoeken waar ze Heineken verkochten. Niet zozeer omdat ik dat echt bier vind maar meer omdat het zien van z´on groen blikje me toch een echt thuisgevoel gaf.
Zielsgelukkig heb ik op de rand van een mooie fontein in het midden van de stad mijn blikje opgedronken. Achter me rees de arena van Verona op waar ook toen al s´zomers de bekendste opera´s van Verdi opgevoerd werden.
In de jaren zeventig was het nog niet zo supertoeristisch en waren het hoofdzakelijk Italianen die chique gekleed naar de opera gingen. Het mooiste vond ik die stoere binken die op zware Moto Guzzi´s aan kwamen scheuren met een stuk in het lang in amazone-zit achterop. Uiteraard geen helm op want dan zou het kapsel misschien in de war raken. In het tweede weekend werd ik uitgenodigd om mee te gaan met de famiglia naar het Gardameer dat vlak bij Verona ligt.
Zaterdagochtend werkten we nog wat droge huiden weg en rond de middag vertrokken we in de grote Alfa van de baas. Hij gaf aan dat het een half uurtje rijden zou zijn maar dat er nog wat boodschappen gedaan moesten worden. Daar in Italië is mijn liefde voor lekker eten ontstaan en mijn ontzag voor de Italiaanse man, maar dan hoofdzakelijk op culinair gebied.
De eerste stop was de grote groentenmarkt waar Rizzi volgens mij elke paprika, elke tomaat en elke courgette betastte alvorens zijn keus te maken. Over elk pondje groente en fruit werd dan minstens een kwartier gedebatteerd met uitbundige handgebaren.
Vlak bij het Gardameer aangekomen stopten we bij een slagerij in een dorpje, signor Rizzi liep zo de winkel door naar achteren waar hij uitbundig en vol respect begroet werd door de slager en zijn knechtje. Daar werd onder geanimeerd gepraat in elke kalfsbil en runderhaas geknepen dat het een lieve lust was. In onderling overleg werd beslist dat er fegato di vitello
(kalfslever) op het menu zou staan en voor zondag een bella bistecca (zonder vertaling).
Vervolgens werd in het volgende dorp gestopt bij de bakker waar signor Rizzi opmerkte: E fatto dalla mama. Ofwel de bestelling was gedaan door moeders. Alleen mocht hij zelf het gebak uitzoeken en als er iets is waar Italianen verzot op zijn is het wel op toetjes. Naast tiramisu (trek me omhoog) zijn er nog wel honderden andere desserts die minstens even zwaar op de maag liggen.
Tegen een uur of vier hadden we wagen redelijk vol liggen en bij aankomst bleek dat ook wel nodig te zijn ook. Buiten de signora en de drie kinderen waren er ook nog opa en oma en een verdwaalde schoonzus en zou er nog een broer met zijn vrouw en de kinderen komen eten.
De opmerking: ¨vanavond eten we iets sobers en luchtigs¨ zorgde ervoor dat ik tijdens mijn latere bezoeken aan Italië onmiddellijk de gesp van mijn broeksriem een paar gaatjes verder open zette. Ik onderging ¨una cena legera¨ van die avond bijna als mijn ultima cena (mijn laatste avondmaal). Anti-pasti als vooraf bestaande uit een tiental schoteltjes met de excuses van de signora dat het maar behelpen was, een flink bord pasta (macaroncini agli gamberi) ofwel pasta met garnalen, daarna fegato al vitello (kalfslever) gesmoord in rode wijnsaus. Daarna gebakken ijs, inderdaad ijs in een deegkorstje even snel over de grill afgemaakt met slagroom. Dan om het af te leren una piatta di fromaggi met een gorgonzola die stijf stond van de schimmel maar ontzettend lekker was.
Kan je nagaan wat een indruk die maaltijd gemaakt heeft, het is nu 35 jaar later!!! De zondag begon met een traditioneel Italiaans ontbijt: koffie met koek. Het werd later gecompenseerd met een pranzo (lunch) die er mocht wezen en s´avonds bijna een herhaling van het avondmaal van de dag ervoor.
Het huis was een villa van z´on tweehonderd jaar oud gelegen tegen een bergflank boven het Gardameer. (De foto´s komen eraan Jacob). Vanaf het terras had je een geweldig uitzicht over het Garda-meer en ik heb tijdens een aantal weekenden die ik daarna nog bij de familie doorbracht wel een eerste tik meegekregen van de Italiaanse levensstijl.
Een stijl die een nuchtere Hollander toch wel af en toe als decadent zou omschrijven. De twee zoons van signor Rizzi brachten het weekend door met rondscheuren op de motor, rondjes rijden in een open cabriolet en dan liefst s´avonds langs de oevers van het Garda-meer
of eeuwig koffiedrinken sulla terrazza. Zwemmen wordt in principe door Italianen beschouwd als een nutteloze bezigheid die vermoeiend is.
Wanneer ik fanatiek het meer op zwom was het al gauw paniek bij la famiglia want ze vonden dat diepe meer wel leuk om naar te kijken maar zwemmen, ho maar. Inmiddels bleek dat mijn doopnaam Cornelis omgevormd was tot Cornellio wat tot in lengte der dagen mijn roepnaam is gebleven in Italië. Het werd nogal eens verward met conillio wat weer konijntje betekende, maar ach een konijn van 100 kilo dat op zijn achterpoten loopt met kleren aan, nee dat klopte toch ook niet.
Enkele keren ben ik met Gianmoena, de verkoopassistent van Rizzi, naar Arzignano gereden waar de looiers bezocht werden. Rizzi had offertes in huiden van zowat elke origine op de aardbol. De Italiaanse agenten werkten bijna altijd op 2 % commissie wat een redelijke goede beloning was voor hun werkzaamheden als tussenpersoon. Claims in de vorm van kwaliteitsklachten of gewichtsverschillen waren altijd voor rekening van de leverancier. De agent probeerde altijd goede vriendjes te blijven met de looier omdat daar zijn broodwinning lag.
Verkochten ze geen Hollandse kalfsvellen van Martens aan de looiers dan verkochten ze USA packer kalfsvellen van Inhuma, waren het die niet dan verkochten ze kalfsvellen van Crevet uit Frankrijk of vellen van een andere Nederlandse leverancier. Met andere woorden: over het algemeen hoerden de agenten met iedereen. Wanneer de kalfsvellen op hfl 7,-- de kilo stonden sprak je over de waarde van een volle vrachtauto zijnde hfl 168.000,-- ofwel hfl. 3.360,-- aan commissie.
Z´on agent deed wanneer de markt een beetje opliep toch wel een wagen of twintig per week. Vandaar dat de meeste agenten een prettig leventje er op na konden houden. Het was ook zo dat elke looier die failliet was gegaan vaak besloot agent te worden en daar nooit spijt van had.
En daar kom ik bij een volgend blog nog eens op terug. Betalingen in Italië werden meestal op 90 dagen financiering gedaan en aangezien er in de jaren zestig nog geen kredietverzekering was of in de kinderschoenen stond vertrouwde je de Italiaantjes maar op hun occhi azzuri ofwel hun blauwe ogen.
Maar die liepen we uiteindelijk in de handel zelf op, die blauwe ogen. Wanneer je een betaling navroeg die inmiddels al 120 dagen op zich liet wachten was het ergste wat een Italiaan tegen je kon zeggen: ¨Non ti preoccupi., ci penso Io¨. Ofwel: maak je geen zorgen daar ga ik voor zorgen.

P.S. Toch maar even een persoonlijk stukje. Ik heb misschien al aangegeven dat ik een zoon heb die stuurman is op de Rainbow Warrior. We wisten dat hij vanuit Hong Kong onderweg was naar de mooiste duikspot ter wereld bij de Philipijnen om met Greenpeace te gaan demonstreren voor het in stand houden van de koraalriffen aldaar. Vanmorgen ving ik een flard op van het nieuws op de radio waarin medegedeeld werd dat de Rainbow Warrior een koraalrif had geraakt en een 100m2 beschadigd zou hebben.
En inderdaad op internet zag ik op de site van Elsevier dat dit het geval was geweest en dat Greenpeace een schadevergoeding moet betalen van euro 6.000,--. Ik denk dat ik zijn zakgeld maar wat ga verhogen hoewel ik hoop dat de 1e stuurman of de kapitein zelf aan het roer heeft gestaan. De juiste toedracht zal ik nog wel horen. Audoe Kees



Via del lavoro III

Toch nog maar even een bloggie eraan plakken wat betreft mijn verblijf in Italië vijfendertig jaar geleden. Zoals beschreven in deel 1 en 2 had ik het best naar mijn zin in Verona. Mijn Italiaans begon er aardig op te lijken. Ik had na een week of zes ook al aardig de weg gevonden naar het Garda-meer op mijn scooter. Inmiddels waren ook mijn oom en tante uit Breda op een camping aangeland langs het meer en dat voelde toch wel weer vertrouwd. Eigen volk vlak in de buurt. Aangezien het hoogseizoen was kwam ik trouwens toch steeds meer landgenoten tegen. Deze brachten ook allemaal hun eigen Hollandse gevoel voor humor mee. Op een zaterdag ploeterde ik op mijn scooter een berg op toen ik werd ingehaald door een volle auto met Hollands welvaren. Belangstellend hingen er een aantal kaaskoppen uit het raam en hoorde ik een van hen roepen: ¨Hé pa, kèèk nou die fuile klere-Italiaan op zijn klere-scootertje, wat un mongool¨. Toen ik ze in beschaafd Nederlands een prettige reis wenste en een aangename vakantie vielen er vijf monden wagenwijd open. Waar zouden we toch zijn in Nederland zonder die echte fijne Amsterdamse welbespraaktheid en dat fijnzinnige gevoel voor humor?
Verder waren er buiten de Nederlanders natuurlijk hele volkstammen met Duitsers die de oevers van het Garda-meer bevolkten. Soms schaamde ik me wel eens wanneer ik Nederlanders een pizza hoorde bestellen met drie bordjes. Het viel me mee dat ze geen cola bestelden met drie rietjes. Nee, het echte bourgondische genieten is toch meer aan de Italianen voorbehouden.
De jongens waar ik mee samenwerkte in het magazijn waren over het algemeen hartstikke sympathieke gasten. Wel merkte ik duidelijk dat ze zich echt gastarbeider voelden in hun eigen land. Het mentaliteitsverschil tussen gli sudisti en gli nordisti was erg groot, de mensen uit het noorden keken en kijken nog steeds neer op de mensen uit het zuiden. Meneer Bossi mag dan wel een grote muil opentrekken met zijn Lega Nord maar hij vergeet wel dat praktisch al het zware en smerige werk gedaan wordt door de mensen uit het arme zuiden.
Binnenkort plaats ik wel een foto bij dit artikel met Beppe, Gianno, Carlo etc. etc.
Een anecdote om mijn verhaal over Italië mee af te sluiten is misschien nog wel aardig om te vertellen. Vlak voor mijn vertrek ben ik nog een keer meegegaan met Gianmoena naar Arzignano. Hij bezocht een halzenlooierij die regelmatig wagens met gezouten halzen (nekstukken) van ons kocht. De directeur bleek de pater familias te zijn die zeker tegen de tachtig liep. Gedurende het hele gesprek waarin Gianmoena onze halzen aanprees stond achter signor de Marzi zijn schoonzoon. Deze loofde de kwaliteit van onze halzen en haalde de oude de Marzi over toch zeker minstens twee wagens van 24 ton van de geweldige mooie Martens-halzen aan te schaffen. De oude heer gaf zijn ja-woord en na nog een espresso gedronken te hebben keerden wij terug richting Verona.
Net buiten het dorp werden we ingehaald door een motorrijder die voor ons een parkeerplaats opschoot. Gianmoena had uitgeroepen toen de motor voorbijscheurde: ¨Ecco-la¨ en toen Speedy Gonzalez zijn helm afzette bleek het de ideale schoonzoon te zijn. Ik zag vanuit de auto hoe Gianmoena zijn portefeuille tevoorschijn haalde en een flinke stapel lires overhandigde aan onze vriend. Deze zwaaide nog eens vriendelijk naar me en verdween weer terug richting dorp.
Gianmoena mompelde iets over een vrouw die nogal veeleisend was en graag ging winkelen maar het was me duidelijk: van je familie moet je het maar hebben. Het bleek dat een half procent van de commissie voor onze agent gereserveerd werd voor de schoonzoon om ervoor te zorgen dat de uwe baas zijn halzen toch maar bij la ditta Rizzi bestelde. Ach zo heeft elk land zijn mores, bij ons zou dertig jaar later blijken dat onze wegenbouwers ook iets reserveerden voor elkaar.
Eind augustus ging Cornellio weer richting huis, deze keer met de trein via Milaan naar Geneve en vandaar maar eens met het vliegtuig naar Schiphol. Het was even wennen om toen weer als scholiertje met mijn Puch elke dag naar het Ginneken in Breda te rijden.
Dat duurde drie jaar met in de vakantie een zakcentje bijverdienend in de huiden en vellen maar daarover later meer.

P.S. Inmiddels een e-mail van zoonlief gekregen dat hij net van de brug af was en lekker in zijn kooi lag te maffen toen de Rainbow Warrior op het rif schoof. Het bleek dat tussen de door de Filippijnse maritieme authoriteiten verstrekte zeekaarten en de werkelijke positie een verschil zat van anderhalve mijl. Een kniesoor die daar op let maar het is dat de 1e stuurman die aan het roer stond al vaart geminderd had want anders had de tweede Rainbow Warior op de zeebodem gelegen. Er was trouwens zelfs een van de rangers van het ocean reefpark aan boord die ook geen enkele benul had van de juiste locatie van het schip.
Toch maar weer goed dat het zo is afgelopen nietwaar.

Audoe
Kees



Paris, brûle-t-il? ofwel: Brandt Parijs.

Paris, brûle-t-il, dat vroeg Hitler aan zijn generaals toen de Duitsers zich terug moesten trekken uit Parijs. ¨Brandt Parijs?¨
Er is lang geleden een prachtige film gemaakt met deze titel over het einde van de 2e Wereldoorlog voor Parijs. Parijs brandde toen niet echt wel zijn er veel mensen gesneuveld. Vandaag de dag brandt Parijs wel en de hoop is dat het bij brandende auto´s blijft en een paar gebouwen. Het gekke is dat ik een link heb tussen het brandende Parijs van nu, het Parijs wat had moeten branden in 1944 en een brandend Parijs uit mijn eigen huiden- en vellenleven.
Er zijn namelijk meerdere momenten geweest dat Parijs in brand stond en het moment waarop ik er persoonlijk een klein beetje van mee heb gekregen was tijdens de studentenprotesten in 1968. Ik heb op 15-jarige leeftijd barricades gezien (gelukkig van een afstand), brandende auto’s en heb urenlange de sirenes gehoord van de auto´s van de oproerpolitie. Ook hebben we veilig vanuit het raam van een privé-kliniek de oproerpolitie in zien hakken op demonstranten.
Mijn vader en ik zijn er geheel onverwacht en zeker niet gewenst in terecht gekomen. Het duurde voor ons gelukkig maar één avond en één dag.
Vast onderdeel van de geschiedenis van een huidenhandel moet helaas zijn de faillissementen waarin praktisch iedereen in verzeild raakte. Mijn vader begon begin van de jaren zestig al wat zaken te doen met Frankrijk. Het begon met Tanneries Dupire in Wasquehal in de buurt
van Lille. We leverden daar croupons en uiteraard was de Semaine du Cuir een uitgelezen gelegenheid om andere Franse looiers te vinden.
Vrij vroeg in de jaren zestig werden er zaken gedaan met Tannerie Haas die hele huiden kocht. De tussenpersoon ofwel agent voor deze looierij was monsieur Hindermeyer die de huidenzaak van zijn vader had doorgezet. De heer Hindermeyer zelf was arts in Parijs maar had tijdens een eerste ontmoeting met mijn vader aangegeven dat hij dat huidenhandeltje van zijn zojuist overleden vader wel tussen neus en lippen zou voortzetten.
Etablissement Hindermeyer was gevestigd in Aubusson in Centraal-Frankrijk en beschikte daar over een redelijk groot magazijn waar verse Franse huiden werden ingezameld en gezouten. Hindermeyer vond het maar beter dat de facturatie via zijn firma liep, hij zou dan wel doorfactureren aan Tanneries Haas. Later bleek dat de chèr docteur er een dermate chique levensstijl op nahield dat hij geen genoegen kon nemen met 2% commissie zoals gebruikelijk voor agenten. Hij verhoogde onze facturen met minimaal 10%. Hij had verder aangegeven dat de looierij op 90 dagen financiering wenste te betalen wat later ook niet bleek te kloppen. Hij incasseerde na 30 dagen en liet chèr papa drie maanden wachten op zijn geld.
Juridisch gesproken was Hindermeyer de klant en koper van de huiden en werden de betalingen aan ons verricht na drie maanden, alle export-documenten waren ook op hem uitgemaakt. Maar ook Tannerie Haas onderging hetzelfde lot als zoveel andere Europese looierijen: ze gingen failliet en uiteraard werd ook niet aan Hindermeyer betaald. Deze liet simpelweg weten dat hij de openstaande rekeningen ter waarde van hfl. 150.000,-- niet zou betalen simpelweg omdat een agent niet verantwoordelijk is voor het betalingsrisico.
Groot was de verbazing ten burele van de firma C. Martens en Zonen, nu beschouwde hij zich als agent terwijl de situatie zeer duidelijk anders was. Er werd dan ook maar een vriendelijk verzoek gedaan aan Hindermeyer om de rekeningen te voldoen temeer omdat deze firma er redelijk florissant voorstond en er geen enkele reden was om niet te betalen. Die anderhalve ton aan ouderwetse Hollandse guldens zouden ook voor mijn vader een te grote aderlating geweest zijn. Hij had toen nog maar een klein bootje dus de opmerking: ¨Dan verkoop je toch gewoon je boot¨, was niet van toepassing.
Wij hadden in die tijd nog geen kredietverzekering waarbij men betalingsrisico´s onder kon brengen, deze soort van verzekering bestond nog niet of was nog in ontwikkeling.
Mijn vader had de chèr docteur Hindermeyer dan toch maar om een persoonlijk onderhoud gevraagd en aangezien ik inmiddels 3 jaar Franse les had en toch een aardig mondje weglulde gingen we samen op weg naar Parijs. Mijn vader kon zich met handen en voeten redelijk redden en had er ook al een Franse cursus tegenaan gegooid. Hij was trouwens een man die heel gemakkelijk met mensen communiceerde en zich uitstekend kon redden waar hij ook was.
We hadden afgesproken met Hindermeyer bij de opera, het kantoortje van zijn huidenhandel was niet ver daarvandaan zodat we er te voet naar toe zouden gaan. We hadden al gemerkt dat er wat aan de hand was in Parijs want regelmatig werden we ingehaald door colonnes politiewagens die met gillende sirenes het centrum inreden. Aangezien we pas tegen vijf uur s´middags bij ons hotel aankwamen en om zeven uur die avond met Hindermeyer afgesproken hadden merkten we niet veel van het feit dat overal in Parijs gevechten waren los gebroken tussen studenten en de oproerpolitie. In heel Europa werd gedemonstreerd tegen de Vietnam-oorlog en in die tijd hadden blijkbaar studenten nog politieke idealen waarvoor ze de barricades opwilden.
De studenten werden gesteund door arbeiders uit de voorsteden en eigenlijk is een vergelijking met de onlusten van nu niet op zijn plaats. Toen werd gevochten voor een gemeenschappelijk ideaal, een wereld zonder oorlog, vrijheid voor iedereen.
Nu vecht men vaak uit lamlendigheid, uit ontevredenheid met de eigen levensomstandigheden en uit jaloezie om de welvaart van anderen.
Ik begin wat af te dwalen, dus terug naar de afspraak met Hindermeyer die we zouden ontmoeten voor de opera om zeven uur s´avonds.
De ontmoeting was al niet zo hartelijk en tijdens de wandeling naar zijn kantoor werd er niet te veel gezegd. We liepen langs de Galeries Lafayette richting Montmartre toen er zich achter ons een meute demonstranten begon te vormen die nogal dreigende vormen aannam. We zijn wat sneller gaan lopen maar toen we in de verte een rij redelijk onwrikbare oproerpolitie zagen sloeg Hindermeyer een zijstraat in en mompelde zoiets als: ¨On va au clinique¨. Ik had nog niet het idee dat er al iemand van ons gewond was maar toen de portier van een de kliniek bij het betreden van de hal met respect: ¨Bonsoir docteur¨ zei kon ik uitvogelen dat dit de plek was waar Hindermeyer werkte.
Inderdaad bleek dat hij voor 90% arts was voor welgestelde Parijzenaars en voor 10% van zijn tijd huidenhandelaar speelde. Zittend op een behandeltafel heb ik zo goed mogelijk voor mijn vader die delen van het gesprek vertaald die voor hem niet geheel duidelijk waren.
De dokter was eigenlijk wel zeer verbaasd dat wij aanspraak maakten op betaling, hij was tussenpersoon en was zeker niet van plan de rekeningen te voldoen. Wij moesten ons maar rechtstreeks wenden tot de curator van Tanneries Haas. Inmiddels werd buiten blijkbaar flink gevochten en binnen weerkaatsten de blauwe zwaailichten tegen de muren.
Tegen het einde van het gesprek zagen we ook hoe er vlammen oplaaiden en bleek dat er een drietal auto´s in brand stonden. Het is net of de Franse autoindustrie bij elke oproer in Parijs mensen in huurt om auto´s in brand te steken. Het is wel bevorderlijk voor de verkoop van nieuwe Renaults en Citroëns nietwaar. Maar dit uiteraard terzijde.
Het was vrij snel duidelijk dat we er niet uitkwamen. M

Volgend artikel in dit blog

3reacties Volg reacties met RSS   aanbevelen Waarschuw de redactie Je moet inloggen om het bericht in een van je groepen onder te brengen Attendeer je vrienden Delen op nujij.nl Delen op ekudos.nl Delen op del.icio.us
Avatar van Bas van Rooij Bas van Rooij 15-02-2006 22:19
wederom eem mooie geschiedenis
Avatar van Hans Bralten Hans Bralten 15-03-2006 19:13
Familie Martens; Bij deze nog mijn condoleances met het verlies van Kees onlangs. Ik hoorde van broer Jan dat Kees erg ziek was de laatste tijd. De verhalen die ik lees brengen veel herinneringen op bij mij van de goed oude tijd in Holland, vooral met Leen en mijn vader Geert toendertijd. Ik ben nu al 30 jaar uit Holland weg, de tijd gaat snel en zit nog steeds vollop in de huidenhandel hier in de USA Mexico en Zuid Amerika.Het allerbeste en hartelijke groeten- Hans Bralten- Bralten USA Inc. Deerfield Wi
USA.
Avatar van STRUYVE G. H. STRUYVE G. H. 19-12-2006 10:39
zeer goed

Inloggen is verplicht om je commentaar achter te laten.

Profielfoto   Huidenkoper

Huidenkoper

  • Niet verplicht
  • Je boodschap moet minstens 5 en hoogstens 1500 tekens bevatten
  •  
    Please type this word backwards: yhes

Links

Groepen

Favorieten van Huidenkoper

Laatste reacties

persona

Interesseert het iemand?
steven Chu: Reactie is geredigeerd

persona

Interesseert het iemand?
IVO BLOCK: fijne verhalen !!

persona

Interesseert het iemand?
a.bouma: vang veel mollen en heb het verhaal gelezen van de …

persona

Interesseert het iemand?
w.schram: schitterend verhaal heb van 1962-1963 gewerkt bij ahc 1963-1975 bij hollander …

persona

Koppen in een houten vat
STRUYVE G. H.: zeer goed

Archief / RSS

Bekijk het hele archief van Huidenkoper, of klik op een van de jaren hieronder om een deel van het archief te ontsluiten.

2005

Zoek in het archief



Zoeken

Abonnementen

Alle blogs rss google netvibes
Deze gebruiker rss google netvibes

Statistieken

TelMiep
  •  
    Please type this word backwards: imuk